Uit een recent onderzoek in Noord Europa blijkt dat 89% van alle respondenten problemen heeft met systemen binnen 48 uur na de oplevering. Falende software-projecten, stellen hoogleraren informatica Chris Verhoef en Jan-Friso Groote in de Automatiseringsgids, zorgen wereldwijd voor maar liefst 290 miljard dollar schade. Het tweetal is behoorlijk pessimistisch over de kwaliteit van software: ‘Slechts 20 procent van de softwareprojecten slaagt, 30 procent eindigt in totale mislukking, en de helft voldoet niet aan de verwachtingen.’ De vraag rijst: waarom zijn deze mislukkingen niet gefiltert tijdens het testen van software?
EDP-auditors gebruiken voor de kwaliteitscontrole vooral de Functional Acceptance Test (FAT) en de System Integration Test (SIT). Bij die twee manieren van software testen, laat men de nieuwe software draaien, al dan niet in een testopstelling, en al dan niet gekoppeld met andere systemen en databases. Het principe van beide methodes is hetzelfde: gewoon kijken of het programma doet wat het moet doen.
Het lastige van deze methodes (FAT en SIT) is dat een mens onmogelijk alle denkbare situaties kan testen. Ergo; ooit, in de toekomst loopt er een keer een harde schijf vol, mogelijk in combinatie met een andere zeldzaam verschijnsel, waardoor het systeem tóch plat gaat. Mogelijk blijkt tot overmaat van ramp de software ook nog eens moeilijk te repareren te zijn. Resultaat: veel economische schade. Het systeem was toch uitgebreid getest? Jawel, maar deze unieke situatie was niet gesimuleerd.
Lees in dit artikel uitgebreid verder over de mogelijkheden om de kwaliteit van software te beoordelen op een meer inhoudelijke wijze dan software testen.

Dit artikel is gepubliceerd i.s.m. ifSQ